Formules en functies in Excel

Excel is een veelgebruikt programma om gegevens in te voeren en op te maken in bijvoorbeeld tabellen en grafieken. Door te leren werken met formules en functies leer je om veel meer waarde uit Excel te halen en bovendien kan je hier aanzienlijk veel tijd mee besparen bij het doen van je werkzaamheden.

Op deze pagina leer je op een laagdrempelige manier alles over formules en functies, en vind je op het einde een handig overzicht met veelgebruikte functies (inclusief uitleg en voorbeelden).

Inhoudsopgave

1. Wat is een formule?

Je kunt in Excel een formule schrijven in een cel en vervolgens laat je Excel een bepaalde berekening voor je doen met de gegevens op je werkblad.

Elke formule begint met het is-teken (=), hiermee geef je aan dat er een formule volgt.

Een eenvoudige formule is bijvoorbeeld =5+6, hiermee tel je de getallen 5 en 6 bij elkaar op.

Voorbeeld van een formule in Excel

In de formulebalk staat de formule weergegeven (=5+6) en in de cel toont Excel het resultaat van deze berekening (11).

Als je voor deze som geen is-teken (=) invoert zal je merken dat Excel het niet als een formule herkent en wordt de som dus ook niet uitgevoerd.

Een formule zonder = wordt niet herkend als formule

2. Formules invoeren in Excel

Er zijn meerdere manieren om een formule in te voeren.

Rechtstreeks in een cel.

  1. Selecteer de cel waarin je het resultaat wilt tonen
  2. Typ het is-teken (=)
  3. Typ de formule
  4. Druk op Enter

In de formulebalk

  1. Selecteer de cel waarin je het resultaat wilt tonen
  2. Klik daarna in de formulebalk
  3. Typ het is-teken (=)
  4. Typ de formule
  5. Druk op Enter of klik op het vinkje naast de formulebalk. Om de formule te annuleren klik je op het kruisje.
Een formule invoeren in de formulebalk

Weet je nooit welke formule je nodig hebt
in Excel?

In mijn cursus leer je stap voor stap hoe je formules opbouwt en combineert. Alles wordt op een laagdrempelige en gestructureerde manier uitgelegd, met praktische voorbeelden en oefeningen.

Je ontdekt hoe formules echt werken, zodat je precies weet wat je moet invullen. Na de cursus kun je met vertrouwen zelf formules maken, van eenvoudige berekeningen tot meer complexe toepassingen.

3. Een formule wijzigen

De formule wijzigen kan op dezelfde manieren.

Selecteer de cel en klik dubbel met je linksmuisknop of gebruik de sneltoets F2.

Daarna kan je rechtstreeks in de cel de formule wijzigen.

De andere manier is om de cel te selecteren en de formule in de formulebalk te wijzigen.

Ik werk zelf liever in de formulebalk omdat ik hier wat meer de ruimte heb en de kans op foutjes hiermee verklein.

4. Een formule verwijderen

Om de formule te verwijderen selecteer je (met je muis) de cel waarin de formule staat en klik je op de backspace of de deleteknop op je toetsenbord om de inhoud van de cel te wissen.

5. Formules in Excel weergeven

Normaal gesproken staat de formule weergegeven in de formulebalk en staat het resultaat van de formule in de cel. Het is echter ook mogelijk om de formules weer te geven in een cel. Dit is handig als je bijvoorbeeld niet weet waar in je werkblad precies formules staan en je deze wilt controleren.

Om formules weer te geven in Excel ga je in het lint naar het tabblad Formules. In de groep Formules controleren vind je vervolgens de knop Formules weergeven. Je kan ook de sneltoets CTRL + T gebruiken.

Formules weergeven in Excel

Door weer op de knop Formules weergeven te klikken of de sneltoets CTRL + T te gebruiken kan je dit weer ongedaan maken, zodat het resultaat van de formule weer wordt getoond.

6. Formules kopiëren

Je kunt een formule kopiëren door de cel te selecteren en in het lint in het tabblad Start in de groep Klembord op de knop Kopiëren te klikken:

Formules kopieren in Excel

Daarna kan je op de gewenste plek de formule plakken.

Een snellere manier om gebruik te maken van de sneltoetsen CTRL + C (om te kopiëren) en CTRL + V (om te plakken).

De vulgreep

Een andere manier om formules te kopiëren is door deze naar beneden (of opzij) te trekken met behulp van de vulgreep.

Zodra je een cel selecteert krijgt deze een groene omlijning.

Als je goed kijkt zie je rechtsonder een groen vierkantje.

De vulgreep in Excel

Klik daar met je linkermuisknop op en sleep vervolgens je muis naar beneden of opzij.

7. Celverwijzingen

Het werkblad in Excel bestaat uit rijen en kolommen.

Iedere cel bestaat uit een eigen kolomletter en rijnummer.

In formules komt het vaak voor dat je naar de inhoud van een bepaalde cel verwijst.

de formule =B4 verwijst in Excel naar de inhoud van cel B4.

Celverwijzing in Excel

Je kunt ook naar een celbereik verwijzen. Dit is een verzameling van meerdere cellen.

Het celbereik A1:D1 verwijst bijvoorbeeld naar de cellen A1, B1, C1 en D1.

Als je naar een celbereik verwijst dan begin je altijd met de cel linksboven, gevolgd door een dubbelepunt (:) en eindig je met de cel rechtsonder.

In de onderstaande afbeelding heb ik meerdere cellen geselecteerd.

Cellen selecteren in Excel

De correcte schrijfwijze van dit celbereik is A1:C4

In Excel kun je kiezen tussen relatieve en absolute celverwijzingen.

=A1+B1 is een voorbeeld van een relatieve celverwijzing.

Een relatieve celverwijzing

Excel ziet deze som als een optelsom van de cel 1 plek naar links en 2 plekken naar links.

Als je deze formule naar beneden kopieert in cel C2 wordt de formule automatisch =A2+B2, omdat Excel ervan uit gaat dat hier ook de cel 1 plek naar links opgeteld moet worden met cel 2 plekken naar links.

Standaard maakt Excel gebruik van relatieve celverwijzingen omdat dit meestal de bedoeling is.

Door een dollarteken ($) voor de kolomletter en/of rijnummer te typen kan je de verwijzing ‘vastzetten’. Dit wordt een absolute celverwijzing genoemd.

Een voorbeeld van een absolute celverwijzing

In bovenstaand voorbeeld heb ik in cel C1 de formule veranderd in =$A$1 + B1.

Als ik de formule vervolgens naar beneden kopieer, verandert B1 nog wel naar B2. Door de dollartekens blijft $A$1 echter verwijzen naar cel A1 en niet naar A2.

Een voorbeeld van een absolute celverwijzing

Meer lezen: werken met celverwijzingen in formules.

8. Functies in Excel

Functies zijn door Excel vooraf gedefinieerde formules.

Een functie begint net als een formule met is-teken (=).

=A1+A2+A3 is bijvoorbeeld een formule die de inhoud van de cellen
A1, A2 en A3 bij elkaar optelt.

De functie SOM is een vooraf gedefinieerde formule die bepaalde waarden bij elkaar optelt.

=SOM(A1:A3) telt net zoals de eerder genoemde formule de inhoud van de cellen A1, A2 en A3 bij elkaar op.

De functie SOM is een eenvoudige, veel gebruikte functie. Excel heeft in totaal zo’n 475 functies.

Door te leren werken met functies kan je veel tijd besparen.

Functieargumenten

Je weet nu dat een functie bestaat uit het is-teken (=) en een functienaam.

In veel gevallen moet je Excel daarna informatie geven om de taak van desbetreffende functie uit te kunnen voeren.

Deze informatie wordt in Excel argumenten genoemd.

De functie MIN berekent bijvoorbeeld de laagste waarde in een reeks cellen.

De schrijfwijze van deze functie is als volgt:

=MIN(getal1;getal2;…)

De formule bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Het is-teken (=)
  • De functienaam (MIN)
  • Een haakje ( om de argumenten te openen
  • Getal1 , Getal2, etc.
  • Een haakje ) om de argumenten te sluiten

Om Excel te laten berekenen wat de laagste waarde is van een reeks moet je Excel eerst laten weten van welke reeks je dit wilt weten.

Getal1 is in dit voorbeeld het argument.

Als je ergens het rentepercentage voor wilt berekenen moet je Excel andere informatie aanleveren dan als je ergens het gemiddelde van wilt weten.

Iedere functie heeft daarin zijn eigen schrijfwijze en kunnen dus uit verschillende argumenten bestaan.

Een functie invoeren in Excel

Er zijn meerdere manieren om een functie in te voeren.

Manier 1:

Naast de formulebalk vind je een knop waarin ”fx” staat.

Zodra je daar op klikt wordt het venster ”Functie invoegen” geopend.

Het venster functie invoegen openen

Hier kan je de functie zoeken die je nodig hebt.

Zodra je de juiste functie hebt gevonden klik je op ”Ok”.

Het venster ”Functieargumenten” wordt dan geopend. Je hoeft hier alleen de argumenten in te vullen van de desbetreffende functie en Excel helpt je met het correct schrijven van de formule.

Manier 2:

Een andere manier is via het lint in het tabblad Formules.

Het venster functie invoegen openen via het lint

Je kan hier in de verschillende categorieën zoeken naar een functie of het venster ‘functie invoegen” openen door hier op fx te klikken.

Manier 3:

Als je al enigszins bekend bent met het werken met functies kan je tijd besparen door een functie rechtstreeks in een cel te schrijven.

Zodra je in een cel begint met het is-teken (=) en daarna een letter typt, toont Excel een lijst met functies.

Een functie rechtstreeks invoeren in een cel

Je kan gewoon blijven typen, de argumenten invoeren en de formule afsluiten.

Wat zijn operatoren in Excel formules?

Operatoren zijn symbolen die je kunt gebruiken om verschillende soorten berekeningen uit te voeren. Door hier gebruik van te maken, kun je meer uit je formules halen. Er zijn verschillende type operatoren:

  • Rekenkundige operatoren: zoals het plusteken (+) voor optellen en minteken (-) voor aftrekken.
  • Vergelijkingsoperatoren: zoals > (groter dan) en <> (niet gelijk aan).
  • Tekstoperatoren: zoals het ampersandteken (&) om waarden samen te voegen.
  • Referentieoperatoren: zoals dubbelepunt (:) om een bereik van cellen aan te geven.

Meer lezen: Operatoren in Excel formules

9. Complexe formules maken

Zoals je inmiddels weet hebben de meeste functies argumenten. Hier voer je de input in die de functie nodig heeft om een berekening uit te kunnen voeren.

Maar je kunt in Excel ook een functie invoeren in een argument. Je combineert in dat geval meerdere functies met elkaar in één formule. Dit wordt in Excel het nesten van functies genoemd.

Stel je wilt eerst de som van de cellen A1 tot en met A5 berekenen, daarna van B1 tot en met B5, en vervolgens het gemiddelde van beide sommen berekenen.

Je kunt dan bijvoorbeeld eerst in cel A6 de formule =SOM(A1:A5) invoeren en in cel B6 de formule =SOM(B1:B6). En vervolgens =GEMIDDELDE(A6:B6) zoals je hieronder kunt zien:

Het gemiddelde berekenen

Hier is niets mis mee, maar het kan efficiënter.

In dit voorbeeld kun je ook eenvoudig de functies GEMIDDELDE en SOM combineren in één formule: =GEMIDDELDE(SOM(A1:A5);SOM(B1:B5))

De functie SOM nesten in de functie GEMIDDELDE

Hierdoor zijn de formules in de cellen A6 en B6 niet langer nodig zoals je kunt zien.

Als we deze formule bekijken, dan zie je dat er het volgende gebeurt:

  1. SOM(A1:A5) telt de waarden in de cellen A1 t/m A5 op.
  2. SOM(B1:B5) telt de waarden in de cellen B1 t/m B5 op.
  3. De functie GEMIDDELDE berekent vervolgens het gemiddelde van de twee totalen.

De SOM functie wordt dus ‘genest’ in de argumenten van de GEMIDDELDE functie.

Door op deze manier functies met elkaar te combineren kun je sneller werken zonder meerdere formules in extra cellen te hoeven gebruiken.

Meer lezen: Hoe kun je functies nesten in Excel

Overzicht functies in Excel

Hieronder vind je een overzicht met veel gebruikte functies in Excel. Deze lijst zal steeds verder aangevuld worden.
Klik op de naam van de functie voor meer uitleg over hoe de desbetreffende functie werkt en om voorbeelden te zien.

De functies zijn onderverdeeld in de volgende categorieën:

Statistisch

FunctienaamOmschrijvingSchrijfwijze formule
AANTALTelt hoeveel cellen een getal bevatten=AANTAL(waarde1;[waarde2];…)
AANTAL.ALSTelt hoeveel cellen aan een voorwaarde voldoet=AANTAL.ALS(bereik;criterium)
AANTALARGTelt het aantal niet-lege cellen=AANTALARG(bereik1;bereik2;…)
AANTALLEN.ALStelt hoeveel cellen aan meerdere voorwaarden tegelijk voldoen=AANTALLEN.ALS(criteriumbereik1;criterium1;[criteriumbereik2; criterium2])
ASELECTGenereert een willekeurig getal tussen de 0 en 1=ASELECT()
ASELECTTUSSENGenereert een willekeurig getal tussen 2 vooraf gekozen waarden=ASELECTTUSSEN(laagst;hoogst)
GEMIDDELDEBerekent het gemiddelde van een reeks cellen=GEMIDDELDE(getal1;getal2;...)
GEMIDDELDE.ALSBerekent het gemiddelde van een reeks cellen die aan een vooraf bepaald criteria voldoen=GEMIDDELDE.ALS(bereik,criteria,[gemiddelde_bereik])
GROOTSTEBerekent de grootste waarde ten opzichte van een gekozen positie=GROOTSTE(matrix;k)
KLEINSTEBerekent de kleinste waarde ten opzichte van een gekozen positie=KLEINSTE(matrix;k)
MAXBerekent de hoogste waarde in een reeks getallen=MAX(getal1;getal2;…)
MEDIAANBerekent de mediaan van een reeks waarden=MEDIAAN(getal1;getal2;…)
MINBerekent de laagste waarde in een reeks getallen=MIN(getal1;getal2;…)
MODUSBerekent de modus van een reeks waarden=MODUS(getal1;getal2;…)

Logisch

FunctienaamOmschrijvingSchrijfwijze formule
ALSBerekening die aan voorwaarden is verbonden=ALS(logische-test;waarde-als-waar;waarde-als-onwaar)
ALS.FOUTVoorkomt foutmeldingen en toont een alternatief=ALS.FOUT(waarde;waarde-indien-fout)
ENControleert of meerdere voorwaarden tegelijkertijd waar zijn.=EN(logisch1;[logisch2]; …)
NIETKeert de uitkomst van de logische test om=NIET(logische_test)
OFControleert of minimaal één van meerdere voorwaarden waar is=OF(logisch1;[logisch2]; ...)

Zoeken en verwijzen

FunctienaamOmschrijvingSchrijfwijze formule
HORIZ.ZOEKENZoekt gegevens in een horizontale tabel=HORIZ.ZOEKEN(zoekwaarde;tabelmatrix;rij-index_getal;bereik)
INDEXZoekt een waarde op in een bereik op basis van de positie=INDEX(matrix;rij_getal;[kolom_getal])
UNIEKRetourneert een lijst met unieke waarden uit een bereik=UNIEK(matrix;[per_kolom];[exact_eenmaal])
VERGELIJKENZoekt de positie van een waarde in een bereik=VERGELIJKEN(zoekwaarde;zoeken_matrix;[criteriumtype_getal])
VERT.ZOEKENZoekt gegevens in een verticale tabel=VERT.ZOEKEN(zoekwaarde;tabelmatrix;kolomindex_getal;benaderen)
X.ZOEKENZoekt een waarde in een bereik en retourneert de bijbehorende waarde uit een ander bereik=X.ZOEKEN(zoekwaarde;zoeken-matrix;matrix_retourneren;[indien_niet_gevonden];[overeenkomstmodus];[zoekmodus])

Wiskunde

FunctienaamOmschrijvingSchrijfwijze formule
AFRONDENRond getallen af op het opgegeven aantal decimalen=AFRONDEN(getal;aantal_decimalen)
AFRONDEN.NAAR .BOVENRond getallen af naar boven=AFRONDEN.NAAR.BOVEN(getal;aantal-decimalen)
FACULTEITBerekent de faculteit van een getal=FACULTEIT(getal)
INTEGERRondt een getal naar beneden af naar het dichtstbijzijnde gehele getal=INTEGER(getal)
SOMTelt getallen en cellen op=SOM(getal1;getal2;…)
SOM.ALSTelt getallen en cellen op die voldoen aan een bepaalde voorwaarde=SOM.ALS(bereik;criterium;optelbereik)
SOMMEN.ALSTelt getallen op die voldoen aan meerdere voorwaarden tegelijk=SOMMEN.ALS(optelbereik; criteriumbereik1; criterium1; …)
SOMPRODUCTVermenigvuldigt bereiken per rij met elkaar en telt alle uitkomsten bij elkaar op=SOMPRODUCT(matrix1; [matrix2]; [matrix3]; …)
WORTELBerekent de wortel van een getal=WORTEL(getal)

Datum/tijd

FunctienaamOmschrijvingSchrijfwijze formule
DATUMBouwt een datum op basis van een jaartal, maand en dag=DATUM(jaar;maand;dag)
DATUMVERSCHILBerekent het verschil in jaren, maanden of dagen tussen twee datums=DATUMVERSCHIL(begindatum;einddatum;eenheid)
JAARHaalt het jaartal uit een datum=JAAR(serieel-getal)
JAAR.DEELBerekent welk deel van een jaar is verstreken tussen twee datums=JAAR.DEEL(begindatum;einddatum;[soort_jaar])
NETTO.WERKDAGENBerekent het aantal werkdagen tussen een startdatum en een einddatum=NETTO.WERKDAGEN(startdatum;einddatum;[feestdagen])
NUGeeft de datum en tijd van vandaag weer=NU()
VANDAAGGeeft de datum van vandaag weer=VANDAAG()
WEEKDAGRetourneert van een opgegeven datum het dagnummer van een week=WEEKDAG(serieel_getal;[type_getal])
WEEKNUMMERHaalt het weeknummer voor een datum op=WEEKNUMMER(serieel_getal;type_resultaat)
WERKDAGBerekent een datum die een bepaald aantal werkdagen voor of na een startdatum ligt=WERKDAG(startdatum;werkdagen;[feestdagen])

Financieel

FunctienaamOmschrijvingSchrijfwijze formule
BETMaandelijkse aflossing berekenen voor een lening met een vast rentepercentage=BET(rente;aantal-termijnen;hw;tw;type_getal)
HWBerekent de huidige waarde van een lening=HW(rente;aantal-termijnen;bet;tw;type_getal)

Informatie

FunctienaamOmschrijvingSchrijfwijze formule
ISGETALControleert of een cel een getal bevat=ISGETAL(waarde)
ISLEEGControleert of een cel een waarde bevat=ISLEEG(waarde)

Techniek

FunctienaamOmschrijvingSchrijfwijze formule
CONVERTERENRekent een getal om naar een andere maateenheid=CONVERTEREN(getal;van_eenheid;naar_eenheid)
TRANSPONERENWisselt kolommen en cellen van een bepaald bereik=TRANSPONEREN(matrix)